Aan één van de twee drukke invalswegen van Kunduz woont een man, laat ik hem voor het gemak Khalid noemen. Khalid verdient zijn centen door uit oude jerrycans en olievaten benzine te verkopen. Zijn hut, verborgen achter de stapel vaten en cans, is net groot genoeg voor een bed, tafel en stoel. Zijn woning is opgetrokken uit wat palen, golfplaat, karton en een enkele plank. Khalid heeft een dagtaak aan het waterdicht houden van zijn huis.
Khalid was in de jaren tachtig docent op de hogeschool van Kunduz. Hij was getrouwd met een lerares en ze hadden samen drie kinderen. Toen het communistische systeem van hem, en zijn vrouw, eiste dat ze zich aansloten bij de partij weigerde hij dat en werd overgeplaatst naar diverse plaatsen in Afghanistan. Zijn vrouw trof hetzelfde lot. Zijn kinderen werden door de staat ondergebracht op onbekende plaatsen. Toen de Russen Afghanistan hadden verlaten werd hem door de nieuwe machthebbers mooie banen en gezinshereniging aangeboden op voorwaarde dat hij zich bij de partij aan zou sluiten. Khalid weigerde weer en raakte definitief zijn vrouw en kinderen kwijt.
Omdat de Provincie Kunduz zich ontwikkeld is het een groeimarkt voor grote oliemaatschappijen. Paralel aan ontwikkelingen lopen wet en regelgeving. Er mag dus niet meer overal benzine verkocht worden en zeker niet uit vaten en jerrycans.
Khalid heeft te horen gekregen dat hij benzine kan blijven verkopen als hij zich aansluit bij een grote oliemaatschappij. Maar dat verhaal kende hij al.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten